VOODOO IN BENIN

Voodoo past binnen een wereldbeeld dat duizenden jaren teruggaat in de historie van West-Afrika. Hierin bestaat al het leven op aarde -planten, mensen en dieren-  uit geest en materie. De materie is vergankelijk, de geest blijft bestaan. Aan het hoofd van de wereld van de geesten staan de goden waaraan de voodooconventen gewijd zijn. Ook de geesten van de voorouders bewegen zich in deze wereld

      

Overal in Benin zijn voodooconventen, afgeschermde binnenplaatsen met een tempeltje waar de ceremoniën plaatsvinden. Wanneer kinderen bijvoorbeeld ter genezing naar een convent gebracht worden, slapen ze in onder een afdakje op de binnenplaats. Alleen al in het district Couffo (ter grootte van de provincie Groningen) zijn er 915 conventen verspreid over 6 gemeenten. 

Voodoo is in Benin erkend als religie. De conventen zijn alleen toegankelijk voor ingewijden: mannen, vrouwen en kinderen die de vereiste initiatieriten hebben ondergaan. Zij dragen zorg voor de vele ceremoniën, de rituelen en de offers die de goden gunstig moeten stemmen.
Wanneer een kind ernstig ziek is en zowel artsen in ziekenhuizen als de traditionele genezers geen oorzaak kunnen vinden, zoeken veel ouders hulp bij de voodoopriesters en -priesteressen. Voor hen is ziekte een symptoom. Ziekte, ongeluk en rampspoed zijn het gevolg van een verstoring van het evenwicht binnen de gemeenschap van mensen of van het evenwicht tussen de wereld van de mensen en de wereld van de geesten. Om de oorzaak van deze verstoring te vinden wordt de Fâ geraadpleegd. De ouders gaan naar een bokonon, een wijze, die het oordeel van de Fâ kan lezen en interpreteren.

Een Bokonon werpt een ketting met 8 halve notendoppen die op 256 verschillende manieren kan vallen. Achter elk van die 256 tekens ligt eeuwenoude kennis verborgen in de vorm legendes, parabels en spreekwoorden. 

Met behulp van de Fâ vindt de bokonon de achterliggende oorzaak van de ziekte. De Fâ bepaalt ook bij welke godheid men hulp moet zoeken om de oorzaak en daarmee ook de ziekte weg te nemen. Het kind wordt naar een convent gebracht dat gewijd is aan de door de Fâ aangewezen godheid. Het ondergaat de initiatie en komt daarmee onder de hoede van de godheid, waarna het geneest.

​Om niet opnieuw ziek te worden kan het kind het convent pas verlaten wanneer de godheid wordt tegemoet gekomen. Het is opnieuw de Fâ die bepaalt welke offers daarvoor moeten worden gebracht. Meestal gaat het daarbij om kolanoten, palmolie en drank en het bloed van geiten of kippen. Zolang aan deze schuld niet is voldaan zal het kind binnen de muren van het convent blijven en zijn leven wijden aan de godheid die hem bescherming biedt.

Ouders kunnen de vele offers vaak niet betalen. Het gevolg is dat het kind in het convent moet blijven totdat aan die schuld is voldaan. Dit kan soms jaren duren. De kinderen kunnen daardoor niet naar school. Ze leiden een leven dat, geïsoleerd achter de muren van het convent, geheel gewijd is aan de voodoo.

Duizenden kinderen wonen in vaak uiterst primitieve omstandigheden in voodooconventen. Strikt afgezonderd van ouders, familie en school staat hun leven in het teken van de godheid die in het convent wordt vereerd.